Het weer vreet aan me. Helaas. Grijs weer is niet echt goed voor mijn gemoed. Het zorgt ervoor dat bepaalde dingen die gebeuren al opgeblazen worden tot bergen. Muggen worden olifanten. Dat klinkt voor sommigen misschien bekend, hopelijk is het u onbekend. Het bespaard u een gevecht tegen een depressie. Zo voel ik me eigenlijk en zo voel ik me vaak. Ik ben vandaag gans de dag alleen, heb met dit weer geen zin om ergens naar toe te gaan en dat ondanks mijn nieuwe aanwinst: een Leica V-lux 3. Gisteren al eens kort getest en goed bevonden. Ondanks de zoom van X24 (in tegenstelling tot mijn Powershot SX10 die maar X20 is) is die camera lichter en kleiner. Hij weegt zelfs minder dan de Powershot G11. En dat was waar ik op zoek naar was. De bediening is iets anders dan ik gewoon ben bij mijn Canons. Maar ik heb nu een bridgecamera met grote zoom, licht genoeg om overal mee te nemen (op de fiets) en waarmee ik in RAW kan fotograferen. Geen klachten dus. De elektronische zoeker lijkt me ook beter dan de Powershot SX10, het beweegbare scherm is even flexibel in gebruik en de menu’s lijken niet echt moeilijk. Helaas is het weer van die aard dat ik niet echt kan testen in hoeverre die nu geschikt is om vogels te fotograferen in de tuin. Al heb ik met een extra zoom toch wat meer mogelijkheden.
Er was nieuws op het werk dat op de dienst insloeg als een bom. Een donderslag bij heldere hemel: een verrassing van formaat die door niemand op de dienst was voorzien. Wat was dat bericht? Het nieuws was dat wegens plaatsgebrek 1 dienst moet verhuizen naar een andere locatie. Omdat onze dienst net groot genoeg is, het minste met publiek in aanraking komt en zo voort en zo verder, zijn wij uitverkoren. We verhuizen naar een locatie dicht bij het centraal station. Dicht bij het hoofdbestuur maar niet in het gebouw van het hoofdbestuur zelf. Dat spreekt voor zich. Op die locatie bevinden zich echter nog andere diensten die tot het hoofdbestuur behoren. Er zijn dus wel voordelen aan die verhuis: we kunnen gebruik maken van de keuken (lekker eten aan een goeie prijs), er is een koffieronde, we komen terecht in een aangenamere buurt en nogal wat collega’s zullen minder lang onderweg zijn. Goed voor hen. Ik gun het hen wel. Jammer dat ik bij de kleine meerderheid behoor die langer onderweg zal zijn maar ik maakte me eigenlijk geen zorgen. Ik zag het wel zitten. Tot er beetje bij beetje begon door te dringen dat die verhuis voor nogal wat organisatorische problemen zal stellen. Er zijn heel wat praktische regelingen waar nog geen antwoord op is. Voor enkelen lijkt het een organisatorische ramp en die enkelen zijn helaas onze meerderen. Want de directie blijft waar ze nu zijn, de personeelsdienst ook, en dat baart zorgen. Voor elke vergadering zal men moeten pendelen. Minder contact met andere diensten zorgt voor de vrees dat wij als dienst volledig geïsoleerd zullen zijn. Zelf kan me dat niet zo veel schelen maar de meesten ervaren dat als heel erg. Zelfs als een soort pesten. Voor elke collega die de dingen positief probeerde op te vatten waren twee die de verhuis als negatief vervaarde. Was ik eigenlijk eens een positivo dan had ik het gisteren toch moeilijk om niet mee gesleurd te worden door de negativisten. Wat vooral zorgen baart, is dat de kans bestaat dat we eigenlijk de komende jaren in totaal nog 3 keer zullen moeten verhuizen. Volgende maand (we verhuizen ergens in juni), dan terug naar de huidige locatie op het moment dat de regeringen beslissen dat een deel geregionaliseerd wordt en twee diensten naar de gewesten verplaatst worden (vermoedelijk 2014) en dan nog eens wanneer het gebouw gerenoveerd is (vermoedelijk ook ergens in 2014). Er is de hoop dat we die tweede verhuis zullen kunnen overslaan maar weinigen geloven dat. Ook is er het ongenoegen dat alles zo plots komt terwijl er de indruk bestaat dat de beslissing al een tijd in beraad was en misschien zelfs al (veel) eerder genomen was. Geen idee wat er van waar is en dat kan me niet zo veel schelen. In een periode met heel veel afwezigheden wegens ziekte waardoor we ons constant moeten inspannen om het werk gedaan te krijgen met veel te weinig volk, kwam dat nieuws eigenlijk niet echt goed aan.
Zo af en toe komt er iemand in je leven die je van vroeger kende. Zo ook bij mij al heb ik het niet bepaald als positief ervaren. Veel van die mensen die ik kende van vroeger, kende ik omdat ik als kind mee moest naar de vergaderingen van moeders ‘geloof’. Veel van die mensen kom ik niet meer tegen en dat vind ik eigenlijk niet erg. Ik heb geen zin meer om te luisteren naar hun geloofsovertuigingen want daar wordt door die mensen nogal veel gepraat. Niet dat er daar veel personen tussen zitten die ik niet kon verdragen. Er waren er niet echt veel die ik niet kon verdragen en nog steeds niet kan verdragen. Voor een enkeling heb ik een grondige afkeer gekregen. Moet dat nu die persoon zijn die ik woensdag aan de telefoon had. Een tijd lang zat ik met die kerel op school en daar had hij niet bepaald een goeie reputatie. Niet als lid van die sekte want zijn grootouders waren er toen niet meer bij. Zijn vader heeft er naar mijn weten nooit echt bij geweest of gaf toch bij mij nooit de indruk dat hij er ooit echt bij hoorde. Een deel van de familie was er toen wel nog bij maar hij had nooit interesse getoond in godsdienst van welke soort dan ook. Drugs was een andere kwestie. Behalve dat ik hem een paar keer in dronken toestand op school gezien heb, heb ik hem persoonlijk nooit zien dealen. Hij had echter wel de reputatie drugs te verkopen op school. Er waren onderwijzers die hard hun best deden om hem daarop te pakken maar dat is hen niet bepaald gelukt. Een paar maanden geleden zag ik een keer. Heel toevallig. Ik stapte van de bus op de markt zoals ik wel eens meer doe en hij zat aan de bushalte een dikke sigaar te roken. Ik ging mijn eigen weg (naar de krantenwinkel zoals ik dat wel meer doe) tot hij tot mijn verbazing mijn naam riep. We waren vroeger niet bepaald vriendjes – van contact was eigenlijk niet echt sprake. We zaten in dezelfde school en op een bepaald moment in dezelfde klas maar spraken nauwelijks met elkaar. Ik vond dat niet erg. Ik meed hem eigenlijk zo veel mogelijk. Dat ik hem meed, had voor een stuk te maken met zijn familie. Een tijd lang was zijn oom ‘bevriend’ met mijn pa. Die man kwam geregeld bij ons over de vloer. Hij had de gewoonte om vader regelmatig zat te maken en dan later naar ons huis te komen om zich te verkneukelen aan wat hij had aangericht. Ook hield hij met pa een competitie over het aantal lp die hij had en deed meestal zeer uit de hoogte tegen ons. Dat deden de meesten van die familie. Ik vond hem geen aangenaam gezelschap – eigenlijk niemand van die familie. Toen hij die avond daar op de markt mijn naar riep, ben ik door gewandeld en heb niet gereageerd op zijn poging tot contact. Mijn wantrouwen was te groot. Dinsdag kwam die kerel thuis te sprake. Ma begon over hem te vertellen. Blijkbaar heeft hij opeens wel interesse gekregen in godsdienst want hij gaat tegenwoordig naar de vergaderingen van haar sekte. Hij had blijkbaar ook met ma gebabbeld en ma vond het nodig om dat aan mij te vertellen. Ik liet toen wel blijken wat ik van die mens dacht. Dat ik hem de dag nadien plots aan de telefoon had, heeft me nogal verontrust. Meer dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Het heeft me een deel van mijn nachtrust gekost en ik heb zo’n een vermoeden wat daar allemaal aan de grondslag van ligt. Niet alleen die kerel maar ook mijn jeugd, de manier waarop mijn ouders me opgevoed hebben en de dingen ze me ingehamerd hebben. Misschien heb ik het mis maar ik vind geen andere rationele uitleg voor mijn toch wel grote afkeer voor die mens. Ik weet ook wel dat het geheugen van een mens niet bepaald betrouwbaar is en dat iemand zich dingen meent te herinneren die niet helemaal juist zijn. Maar de dingen die ik me herinner uit mijn kindertijd zijn te veel voorgekomen en te veel herhaald. Het aantal keer dat mijn ouders me ‘achterlijken’ noemde, me verweten dat ik een last was, een probleem waar ze geen weg mee konden, is te groot. Ik heb die herinneringen al van voor ik naar school ging. Ze werden wel erger toen ik naar de basisschool ging en dan vooral vanaf het moment dat het PMS melde ik vermoedelijk autistisch was en gingen door tot het middelbaar. Toen stopte het plots. Toen werd ik jaren getolereerd en meestal ook compleet genegeerd. Toen was ik eigenlijk echt het vijfde wiel aan de wagen. Voordien was ik enkel maar goed op het moment ik mijn schoolrapport kreeg en daar minimum 80% op stond. Een procent minder was reden om een hele tirade naar mijn hoofd te slingeren, inclusief de meest bizarre beschuldigingen en verwensingen. Niet alleen ging ik een zatlap worden als mijn vader, ik ging me ook laten meeslepen met (slechte) vrienden, een meeloper worden in één of andere bende en met me laten sollen als een stomme idioot. Ik was meestal ook de domste mens ooit, traag van begrip en met geen enkel idee wat ik allemaal uitstak zonder een notie van de gevolgen van mijn daden en door en door slecht. Het aantal keer dat vader en/of moeder met de handen in lucht stonden te brullen over wat ik later allemaal zou meemaken en wat ik hen allemaal aandeed, zijn niet te tellen. Om dat nog maar te zwijgen over de keren dat vader met zijn vuist voor mijn gezicht zwaaide, met de dreiging van ‘één slag en je ziet eran’. Ik vind het eigenlijk niet zo vreemd dat ik met de tijd een éénzaat geworden ben. Ik heb niet alleen een wantrouwen gekregen tegen medemensen maar ook een enorme hekel aan mezelf. Als ik dat nu ter sprake breng dan reageert ma alsof ik die dingen nooit gebeurt zijn en zij mij altijd goed behandeld heeft. Alles wat verkeerd gegaan is, is de fout van pa. Zij heeft eigenlijk nooit iets verkeerd gedaan. Dus spreek ik er niet meer over. De kans is groot dat ze mij nog de schuld geeft over van alles zoals ze dat vroeger de gewoonte had. Hoe ik er best mee moet leven, weet ik niet echt. Hoe dan ook: mocht u me ooit eens op straat tegen komen en ik reageer niet op uw begroeting denk dan niet dat ik van u denk zoals die kerel die ik hier vermelde. Dat is eigenlijk een uitzondering. Meestal reageer ik niet omdat ik me terugtrek en moeilijk communiceer of omdat ik met mijn gedachten ergens heel ver weg ben. Dat laatste gebeurt nogal veel trouwens. Ik vrees dat ik helaas toch lichtjes autistisch (geworden) ben.



